De geschiedenis van het stilleven

Het stilleven
In 1933 definieert Jacques Goudstikker het begrip stilleven als “een door de kunstenaar gegeven interpretatie van die dingen, waaraan het leven zich stil voltrekt”. Dat geldt ook voor het culinaire stilleven, dat in de loop der eeuwen de maatschappelijke ontwikkeling van het eten weerspiegelt.
Al in de kunst van de Romeinen komen etenswaren veel voor. De wandschilderingen en vloermozaïeken hebben behalve een decoratieve ook een religieuze functie: ze drukken de gastvrijheid van de heer des huizes uit, maar zijn ook symbolisch voedsel voor de geesten van de doden.
Aan het eind van de zestiende eeuw wordt het stilleven een zelfstandige categorie in de kunst. Het hoogtepunt bereikt het genre in de zeventiende eeuw. Hollandse en Vlaamse kunstenaars leggen zich toe op het zo waarheidsgetrouw mogelijk weergeven van het karakter van de materialen. Uit die tijd dateren thema’s als gedekte tafels, eetbare vruchten, gebak, desserts, klein wild en keukentaferelen. Grote meesters van het stilleven zijn bijvoorbeeld Adriaen Coorte,Willem Claeszoon Heda, Peter Claesz en Willem Kalff.
In de 19e eeuw wordt het stilleven, met dank aan de impressionisten, ingrijpend vernieuwd. De impressionisten benaderen de werkelijkheid op een nieuwe manier, waarin het schilderen van eetbare dingen heel goed past. Het wordt het symbool van de bevrijding van de kunstenaar van knellende academische banden.
Dankzij schilders als bijvoorbeeld Cézanne en Van Gogh, wordt het stilleven als genre in de 20e eeuw nog gevarieerder. Langzamerhand verovert de opvatting terrein, dat kunstwerken autonoom zijn en niet meer hoeven te verwijzen naar de werkelijkheid. De experimenten met vorm en kleur hebben ook invloed op de benadering van het stilleven. En zo kan het, dat een werk als Andy Warhol’s ‘200 soepblikken’ nu wordt geschaard onder het begrip stilleven.